Sinds Marijn bij Vanboeijen woont, kan Miranda weer moeder zijn. Niet meer voortdurend zorgen, regelen en opletten, maar vertrouwen dat haar zoon op een plek is waar mensen hem écht zien. Terwijl ze vertelt, klinkt er geen twijfel in haar stem, wel rust. “Je laat de zorg los. Daardoor kun je weer gewoon ouder zijn.”
Loslaten is niet vanzelfsprekend, benadrukt Miranda. “Dat vraagt tijd en vertrouwen.” Dat vertrouwen ontstaat in het contact met de begeleiders. “Je moet meemaken: zij zien mijn kind. Ze begrijpen hem. En ze zijn er voor hem.” Pas als dat er is, ontstaat ruimte. “Dan hoef je het niet meer alleen te doen. Dat is zó fijn.”
Oog voor wie hij is
Wat Miranda het meest raakt, is de aandacht voor wat Marijn nodig heeft op zijn manier, in zijn tempo. “Het gaat niet alleen over wat hij moet leren. Soms heeft hij er gewoon behoefte aan om op een kleedje op de grond te liggen. Soms gaat een begeleider ernaast liggen.” Voor haar zit daar de kern van goede zorg. “Dat lijkt misschien klein, maar het zegt alles.”
Die aandacht ziet ze ook terug in de momenten die gedeeld worden. “Ik krijg foto’s en filmpjes. Dan zie ik hem lachen, blij zijn, een beetje dollen met de begeleider.” Dat geeft vertrouwen. Dan weet ik: “hij zit goed. Dit is zijn plek.”
Samen dragen
Voor Miranda draait goede zorg om nabijheid en menselijkheid. “Je voelt dat begeleiders er echt zijn. Niet alleen vanuit hun rol, maar als mens.” Dat is volgens haar onmisbaar in de complexe zorg. “Marijn heeft mensen nodig die aansluiten bij wat hij op dat moment aankan en die daar rustig in blijven.”