Sieta Kuipers | moeder van Els

'Je moet haar gewoon dingen vragen en als volwassen mens behandelen'

Els Nijmeijer wordt geboren op 26 december 1965 in Uithoorn. Ze is het oudste kind van Johan Nijmeijer en Sieta Kuipers, na haar komen een zus en een broer. Elske gaat op 18-jarige leeftijd uit huis. Ze woont op allerlei plekken. Soms kort en soms langer. Tot haar ouders in 1997 een plek vinden die bij haar en bij hen past, op het Hendrik van Boeijen Oord in Assen. Daar blijft ze. Ze woont aan de Middenweg 1c en gaat naar dagbesteding bij De Kei. Haar vader overleed een paar jaren geleden. Haar moeder ziet ze vaak.

We zeggen nooit dat ze niets kan

‘Een geleerde zal Elske nooit worden, maar ze heeft wel een gave. Misschien niet wat wij willen, maar ze heeft een gave. Ze heeft een vriendelijkheid, een soort aantrekkelijkheid. Ze is niet mooi, ze is scheef, maar mensen komen naar haar toe, ze vinden haar lief en ze zijn graag bij haar.’ Sieta Kuipers kijkt naar het leven van haar dochter. ‘We zeggen nooit dat ze niets kan. Iedereen heeft iets in het leven wat het leven leefbaar maakt. Ieder heeft zijn eigen schoonheid.’

Voorzichtig sprak hij het woord 'spastisch'

‘Als baby huilde en spuugde Elske veel. Dan dronk ze een half flesje en spuugde het weer uit. ’s Nachts ging ik er doorlopend uit om haar te troosten, maar het huilen stopte niet. Niemand zag wat. Ik wist het ook niet. Ik zag wel dat ze haar duim niet in de mond kon krijgen. De vrouw van de melkboer had veel kinderen, haar vroeg ik wat ik kon doen. Ze zei dat ik Elske gewoon moest helpen door de  duim weer in de mond te stoppen. Maar dat lukte niet. Na een half jaar was ik ten einde raad en ging naar de huisarts. Die wist niet wat hij zag: Elske spartelde en bewoog niet. Een jaar later was er een arts die voorzichtig het woord ‘spastisch’ gebruikte. We hadden geen idee wat dat was, maar we waren opgelucht: “Er ís wat aan de hand en nu gaan we daar wat aan doen.” We wilden er tegen aan, maar ja, je kan niet zoveel…’

Alles is het proberen waard

‘Haar vader en ik wilden natuurlijk dat Elske leerde lopen. In die tijd waren er nog geen loopfietsjes of andere hulpmiddelen, dus we gingen zelf dingen maken. We spanden een touw door de huiskamer van voor naar achter. We hingen er een tuigje in, precies zo hoog dat Elske met haar handen en knieën bij de grond kon. Maar het wilde niet. Mijn man maakte een schommeltje, waar ik de broekjes voor moest naaien. Het was  een vreselijk werk. Zonder succes. Later vestigden we onze hoop op een revalidatiecentrum. Daar was een dokter die zelf wat mank liep. We dachten: “Nou gaat het gebeuren, hij begríjpt het!” Maar nee, Elske leerde niet lopen. We berustten erin dat dit niet zou lukken en gingen op zoek naar dingen die misschien wél zouden lukken. We bedachten bijvoorbeeld hoe zalig het zou zijn als Elske zélf zou kunnen drinken. We kochten alle kopjes die je maar kunt bedenken: met een groot oor, met een klein oor, zonder oor. Ik had een la vol kopjes. Ook dat drinken is niet gelukt. En toch blijf ik vinden dat alles het proberen waard is. Ik wil niet achteraf zeggen: “Hadden we het haar maar geleerd.”’

Inlegkunde

‘Ik heb altijd gepraat tegen haar, zoals iedere moeder dat doet. Daar heeft ze dingen van opgepikt. Het is geen verhalenstroom, het is in een kinderlijke taal en het kost haar veel moeite, maar ze praat wél. Sommige mensen leggen haar dingen in de mond: “Dat vind jij wel lekker, hè, Elske?” Ik noem dat inlegkunde, zo hoor je niet wat Elske bedoelt. Je moet haar gewoon dingen vragen en haar als volwassen mens behandelen. Dat vraagt geduld, maar dan kom je er achter dat ze heel goed weet wat ze wil. Twee keer heb ik meegemaakt dat ze me echt een verhaal vertelde. Beide keren was na een behandeling in het ziekenhuis. Ik zat naast haar om haar eten te geven en ze vertelde me langzaam maar precies wat er gebeurd was. Een woord, een hapje, een kleine zin, een hapje. Eén van de verhalen ging over haar tanden. Ze zei bijvoorbeeld: “De tandarts heeft de oude tanden eruit gehaald. En de kiezen ook. En de nieuwe tanden erin.” Ik vind het zo geinig dat ze dat bedacht heeft. Ze heeft namelijk helemaal geen nieuwe tanden, ook geen kunstgebit, maar kennelijk heeft zij bedacht dat ze nieuwe tanden heeft. Dan vind ik: dan is dat zo, daar ga ik niets aan veranderen, dat is niet eerlijk. Aan het einde van haar verhaal slaakte Elske een diepe zucht en zei: “Klaar.” Het had haar veel inspanning gekost, maar ze was tevreden. Ik heb alles letterlijk opgeschreven en aan iedereen laten lezen.’

Haar woorden

‘We moeten naar Elske luisteren om haar te begrijpen. Met de woorden die ze zegt, laat ze ons weten dat ze meer begrijpt dan we soms denken. Ik zal nooit het moment vergeten dat ze voor het eerst alleen naar een vakantiehuis ging. Of eigenlijk was het een opvanghuis voor wie niet meer thuis kan wonen. Ze was 18 jaar. Haar vader en ik wisten allebei: dit is een afscheid. Elske zou daar blijven en niet weer naar huis komen. We moesten wel. We waren op. We hebben het er van tevoren nooit met elkaar of met Elske over gehad. Ik zie ons nog lopen op de weg richting het huis. Elske sloeg haar spastische arm om mij heen en zei: “Jij en ….” Ik wist wat ze bedoelde te zeggen. Laatst zag ik een kaartje met daarop de tekst ‘Jij en ik’. Ik heb het voor haar gekocht. Dat zijn haar woorden.’

Over de auteur

Sieta Kuipers

Moeder van Els